Gezondheid meten: waarom BMI, cholesterol en bloedsuiker niet het hele verhaal vertellen

Je stapt bij de huisarts op de weegschaal.

Daarna wordt je bloeddruk gemeten.

Er wordt bloed afgenomen voor cholesterol en bloedsuiker.

Een paar dagen later verschijnen de uitslagen.

BMI: iets te hoog.

LDL-cholesterol: goed.

Bloedsuiker: normaal.

Alles in orde?

Misschien wel.

Maar misschien vertellen deze cijfers maar een deel van het verhaal.

Want twee mensen kunnen precies dezelfde BMI hebben en lichamelijk totaal van elkaar verschillen.

De één heeft veel spiermassa, weinig buikvet en fietst iedere dag.

De ander heeft weinig spiermassa, beweegt nauwelijks en slaat relatief veel vet rond de buik op.

En er kan nog een derde persoon zijn.

Iemand die graag meer zou bewegen, maar door artrose, chronische pijn, een spierziekte of een andere lichamelijke beperking nauwelijks kan lopen.

De getallen kunnen hetzelfde zijn.

De mensen zijn dat niet.

Hetzelfde zien we bij bloedonderzoek.

Een keurige LDL-waarde betekent niet automatisch dat iedere risicofactor voor hart- en vaatziekten gunstig is.

Een normale bloedsuiker op één ochtend vertelt iets anders dan de gemiddelde bloedsuiker over enkele maanden.

En normale leverwaarden sluiten niet automatisch ieder leverprobleem uit.

Steeds duidelijker wordt daarom dat gezondheid zich moeilijk laat samenvatten in één getal.

BMI is niet waardeloos.

LDL-cholesterol is niet achterhaald.

Een glucosemeting blijft nuttig.

Maar moderne gezondheidszorg probeert steeds vaker verder te kijken.

Niet alleen:

“Is deze waarde normaal?”

Maar vooral:

“Wat vertellen deze waarden samen over deze persoon?”


Moderne gezondheidszorg betekent niet automatisch méér meten

Dat is belangrijk om meteen duidelijk te maken.

Nieuwe biomarkers en geavanceerde metingen kunnen nuttig zijn.

Maar nieuw betekent niet automatisch beter.

Een test kan wetenschappelijk interessante informatie opleveren zonder dat die informatie voor iedere individuele patiënt iets verandert.

Stel dat iemand rookt, een zeer hoge bloeddruk heeft en een sterk verhoogd LDL-cholesterol.

Dan hoeven niet eerst allerlei bijzondere biomarkers te worden bepaald om te weten dat het risico op hart- en vaatziekten aandacht verdient.

De belangrijkste risicofactoren liggen al op tafel.

Moderne gezondheidsmeting betekent dus niet:

“Laat zoveel mogelijk onderzoeken.”

Het betekent:

begrijpen wat een meting wél vertelt, wat zij niet vertelt en wanneer aanvullende informatie werkelijk iets toevoegt.


BMI: nuttig, maar niet het hele verhaal

BMI staat voor Body Mass Index en vergelijkt gewicht met lengte.

De berekening is:

gewicht in kilo’s ÷ lengte in meters²

Iemand van 1,80 meter die 90 kilo weegt, heeft een BMI van ongeveer 27,8.

Volgens de gebruikelijke indeling is dat overgewicht.

Maar stel dat twee mensen precies diezelfde BMI hebben.

De eerste doet meerdere keren per week krachttraining, heeft gespierde benen en weinig buikvet.

De tweede heeft weinig spiermassa en juist veel vet rond de buik.

BMI ziet het verschil niet.

Het lichaam wel.

Dat maakt BMI niet waardeloos.

Bij grote groepen mensen bestaat een duidelijke relatie tussen BMI en verschillende gezondheidsrisico’s.

Maar bij één persoon vertelt BMI niet:

  • hoeveel spiermassa iemand heeft;
  • hoeveel lichaamsvet iemand heeft;
  • waar dat vet zit;
  • hoe fit iemand is;
  • hoe sterk iemand is;
  • hoe gezond de stofwisseling is;
  • en welke lichamelijke beperkingen iemand heeft.

Ook moderne richtlijnen behandelen BMI daarom als een praktische maat die soms aanvullende context nodig heeft. De Britse richtlijnorganisatie National Institute for Health and Care Excellence, meestal afgekort tot NICE, adviseert bij volwassenen met een BMI onder 35 bijvoorbeeld ook naar de verhouding tussen middelomtrek en lichaamslengte te kijken.

BMI kun je dus beter zien als:

een beginpunt, niet als een eindoordeel.


Buikvet: waar het vet zit maakt verschil

Vet bevindt zich niet overal op dezelfde plaats.

Een deel ligt vlak onder de huid.

Een ander deel kan zich dieper in de buik ophopen, rond organen zoals de lever en de darmen.

Dat wordt visceraal vet genoemd.

Juist veel vet rond de buik hangt samen met een grotere kans op onder andere diabetes type 2, hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten.

Daarom kan een eenvoudig meetlint soms informatie toevoegen die de weegschaal niet geeft.

Middelomtrek gedeeld door lichaamslengte

Een praktische maat is de verhouding tussen middelomtrek en lichaamslengte.

De berekening is eenvoudig:

middelomtrek ÷ lichaamslengte

Ben je 180 centimeter lang en is je middel 85 centimeter?

Dan is de verhouding:

85 ÷ 180 = 0,47

Een bruikbare vuistregel is om de middelomtrek onder ongeveer de helft van de lichaamslengte te houden.

NICE beschouwt een verhouding van 0,4 tot 0,49 bij volwassenen als passend bij geen verhoogd risico door centrale vetopslag, 0,5 tot 0,59 als verhoogd en vanaf 0,6 als verder verhoogd. De organisatie benadrukt tegelijkertijd dat BMI en middel-lengteverhouding hulpmiddelen zijn binnen een bredere gezondheidsbeoordeling.

Maar ook hier ontstaat een belangrijke vraag.

Wat als iemand zijn buikomvang helemaal niet zo gemakkelijk kan veranderen?


Niet iedereen kan aan dezelfde gezondheidsknoppen draaien

Gezondheidsadviezen klinken soms verrassend eenvoudig.

“Beweeg meer.”

“Loop iedere dag een half uur.”

“Val vijf kilo af.”

Voor een gezond en mobiel persoon kunnen dat redelijke adviezen zijn.

Maar stel dat je ernstige artrose hebt.

Of zenuwpijn.

Een spierziekte.

Hart- of longproblemen.

Chronische vermoeidheid.

Een neurologische aandoening.

Of zoveel pijn dat vijfhonderd meter lopen al een prestatie is.

Dan klinkt “ga gewoon meer bewegen” ineens heel anders.

De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in haar richtlijnen voor lichamelijke activiteit daarom ook afzonderlijk aandacht voor mensen met chronische aandoeningen of beperkingen. Het uitgangspunt is niet dat ieder mens dezelfde prestatie moet kunnen leveren.

Gezondheid is geen examen

Iemand die gemakkelijk vijf kilometer kan lopen, kan proberen er zes van te maken.

Maar iemand die nauwelijks kan lopen, heeft misschien een ander gezondheidsdoel.

Zelfstandig uit een stoel kunnen blijven opstaan.

De armen sterk houden.

Een aangepaste fiets gebruiken.

Oefenen in water.

Met fysiotherapie verlies van spierkracht beperken.

Of zelfstandig naar buiten kunnen blijven gaan.

Dat lijkt minder spectaculair dan tien kilo afvallen of een halve marathon lopen.

Maar het kan medisch minstens zo waardevol zijn.


Minder eten is niet altijd de eenvoudige oplossing

Wanneer iemand door lichamelijke beperkingen weinig kan bewegen en langzaam zwaarder wordt, lijkt de oplossing voor de hand te liggen:

eet minder.

Maar voeding levert niet alleen calorieën.

Het levert ook eiwitten, essentiële vetzuren, vitaminen, mineralen en vezels.

Vooral bij het ouder worden en bij ziekte kan verlies van spiermassa een belangrijk probleem zijn.

Steeds minder eten totdat de weegschaal het gewenste getal laat zien, hoeft daarom niet automatisch gezond te zijn.

Soms is het belangrijker om:

voldoende en volwaardig te eten;

spiermassa zo goed mogelijk te behouden;

de bloeddruk goed te behandelen;

bloedsuiker te bewaken;

cholesterolrisico te beperken;

niet te roken;

en zo veel mogelijk zelfstandigheid te behouden.

De middelomtrek kan dan nog steeds hoger zijn dan ideaal.

Dat betekent niet dat iemand niets aan zijn gezondheid doet.

Soms is behoud al gezondheidswinst

We zijn gewend aan gezondheidsdoelen waarbij iets moet verbeteren.

Vijf kilo afvallen.

Tien centimeter minder buikomvang.

Meer spiermassa.

Een betere conditie.

Lagere bloedsuiker.

Maar bij chronische ziekte, ouder worden of ernstige lichamelijke beperkingen kan een ander doel minstens zo belangrijk zijn:

niet verder achteruitgaan.

Spierkracht behouden.

Zelfstandig kunnen blijven opstaan.

Diabetes voorkomen.

De bloeddruk goed behandeld houden.

Ondervoeding voorkomen.

Zelfstandig blijven wonen.

Dat is óók gezondheidswinst.


Cholesterol: waarom alleen LDL soms niet het hele verhaal vertelt

Bij cholesterol kennen de meeste mensen een paar waarden:

totaal cholesterol;

LDL-cholesterol;

HDL-cholesterol;

en triglyceriden.

Die blijven belangrijk.

Vooral LDL-cholesterol en andere lipoproteïnedeeltjes die het eiwit apolipoproteïne B dragen, spelen een oorzakelijke rol bij slagaderverkalking. De Europese cardiologierichtlijn houdt LDL daarom nadrukkelijk als centraal behandeldoel.

Maar in bepaalde situaties kunnen andere metingen het beeld verfijnen.

Apolipoproteïne B: hoeveel deeltjes zijn er?

Cholesterol reist niet zelfstandig door het bloed.

Het wordt vervoerd in lipoproteïnedeeltjes.

Je kunt ze vergelijken met vrachtwagens.

LDL-cholesterol vertelt iets over de hoeveelheid cholesterol die wordt vervoerd.

Maar het vertelt niet exact hoeveel vrachtwagens daarvoor rondrijden.

Daar kan apolipoproteïne B, meestal afgekort tot ApoB, aanvullende informatie over geven.

ApoB bevindt zich op lipoproteïnedeeltjes die kunnen bijdragen aan slagaderverkalking.

Daardoor geeft ApoB informatie over het aantal van deze deeltjes.

Twee mensen kunnen een vergelijkbare LDL-waarde hebben terwijl het aantal atherogene deeltjes verschilt.

Dat maakt ApoB interessant.

Maar niet noodzakelijk voor iedereen.

Bij veel mensen geeft het gewone cholesterolprofiel al voldoende informatie.

Dat onderscheid is belangrijk.

ApoB is een aanvulling op LDL, geen bewijs dat LDL achterhaald is.


Non-HDL-cholesterol: extra informatie zonder extra bloedtest

Er bestaat ook een nuttige cholesterolwaarde waarvoor helemaal geen extra bepaling nodig is.

Non-HDL-cholesterol.

De berekening is:

totaal cholesterol − HDL-cholesterol

Daarmee tel je het cholesterol in alle niet-HDL-deeltjes bij elkaar op.

Dat is een mooi voorbeeld van moderne gezondheidsanalyse.

Niet méér prikken.

Maar slimmer kijken naar gegevens die al beschikbaar zijn.


Lipoproteïne(a): een erfelijk risico dat verborgen kan blijven

Een andere waarde is lipoproteïne(a), meestal afgekort tot Lp(a).

De hoeveelheid Lp(a) in het bloed wordt voor een groot deel genetisch bepaald.

Je kunt gezond eten.

Veel bewegen.

Niet roken.

En een uitstekend LDL-cholesterol hebben.

Maar toch een sterk verhoogd Lp(a).

Een standaard cholesterolprofiel maakt dat niet afzonderlijk zichtbaar.

De Europese richtlijn voor cholesterol en hart- en vaatziekten adviseert daarom tegenwoordig om een Lp(a)-meting ten minste één keer in het volwassen leven te overwegen. Een waarde boven 50 mg/dL, ongeveer 105 nmol/L, wordt daarbij gezien als een factor die het cardiovasculaire risico verder kan verhogen.

Een verhoogde waarde betekent niet dat iemand automatisch een hartinfarct of beroerte krijgt.

Het kan wel het totale risicoprofiel veranderen.


Ontsteking: wat vertelt hoog-sensitief CRP eigenlijk?

Bij slagaderverkalking spelen naast cholesterol ook ontstekingsprocessen een rol.

Artsen gebruiken daarvoor onder andere C-reactief proteïne, afgekort tot CRP, als maat voor ontstekingsactiviteit.

Er bestaat ook een gevoeligere bepaling:

hoog-sensitief C-reactief proteïne, meestal hs-CRP genoemd.

Deze test kan veel lagere concentraties meten.

Een blijvend hs-CRP boven 2 mg/L wordt in de actuele Europese cardiologierichtlijn genoemd als een factor die bij bepaalde mensen kan helpen het cardiovasculaire risico verder te verfijnen.

Maar hier gaat het online gemakkelijk mis.

Een verhoogd hs-CRP betekent niet automatisch dat iemand een soort verborgen chronische ontsteking door het hele lichaam heeft.

Een infectie kan CRP verhogen.

Net als een ontstekingsziekte, een blessure of andere ontstekingsactiviteit.

Hs-CRP is daarom geen algemene gezondheidstest waarmee je simpelweg kunt vaststellen of iemand ‘ontstoken’ is.

De context bepaalt of de uitslag betekenis heeft.


Bloedsuiker: één normale meting vertelt niet alles

Stel dat je ’s morgens bloed laat prikken.

Je glucose is 5,2 mmol/L.

Prima.

Maar wat weten we daarmee?

We weten hoe hoog je glucose op dat moment was.

Niet wat er gisteren na het eten gebeurde.

En niet wat de gemiddelde glucoseblootstelling gedurende de afgelopen maanden is geweest.

Daarom bestaan er verschillende manieren om de glucosestofwisseling te onderzoeken.

Nuchtere glucose: een momentopname

Bij een nuchtere glucosemeting heb je minimaal acht uur geen calorieën gebruikt.

Daarna wordt de hoeveelheid glucose in het bloed gemeten.

Dat is een belangrijke en veelgebruikte test.

Maar glucose kan variëren.

Ziekte, stress en andere omstandigheden kunnen invloed hebben.

Een enkele waarde is dus letterlijk een momentopname.


HbA1c: terugkijken over enkele maanden

Een andere belangrijke bepaling is geglyceerd hemoglobine, vrijwel altijd aangeduid als HbA1c.

Glucose kan zich hechten aan hemoglobine in rode bloedcellen.

De hoeveelheid HbA1c geeft daardoor een indruk van de gemiddelde glucoseblootstelling over ongeveer de afgelopen twee tot drie maanden.

Een losse glucosemeting is een beetje als één foto.

HbA1c lijkt meer op een samenvatting van een langere film.

Maar ook HbA1c heeft beperkingen.

Aandoeningen waarbij rode bloedcellen anders worden aangemaakt of afgebroken kunnen de waarde beïnvloeden.

HbA1c is dus niet simpelweg een betere glucosemeting.

Het meet iets anders.


De glucosetolerantietest kijkt weer op een andere manier

Bij een orale glucosetolerantietest drink je een vastgestelde hoeveelheid glucose.

Daarna wordt gemeten hoe het lichaam die glucose verwerkt.

De American Diabetes Association benadrukt in haar richtlijn van 2026 dat nuchtere glucose, HbA1c en de twee-uurswaarde na een glucosetolerantietest verschillende aspecten van de glucosestofwisseling meten.

Ze identificeren daardoor niet altijd precies dezelfde mensen met prediabetes of diabetes.

Dat betekent niet dat iedereen zo’n test nodig heeft.

Het laat vooral zien dat:

een normale uitslag bij de ene test niet altijd precies hetzelfde betekent als een normale uitslag bij een andere.


Een glucosemeter op je arm maakt je niet automatisch gezonder

Continue glucosemeters worden steeds populairder.

Ook bij mensen zonder diabetes.

Op de telefoon kun je precies zien wat glucose doet na brood, fruit, pasta, slapen of sporten.

Dat levert fascinerende grafieken op.

Maar meer gegevens betekenen niet automatisch betere gezondheidszorg.

Voor mensen met diabetes kan continue glucosemeting zeer waardevol zijn.

Voor screening of diagnose bij mensen zonder bekende diabetes vindt de American Diabetes Association momenteel onvoldoende bewijs om zo’n sensor daarvoor als standaardmethode te gebruiken.

Een glucosepiek na een maaltijd is bovendien normale fysiologie.

Het lichaam hoort glucose na het eten te verwerken.

Ook een moderne sensor moet dus worden geïnterpreteerd.


De lever: een stille graadmeter van de stofwisseling

Bij een gezondheidscontrole denken we gemakkelijk aan hart, bloeddruk, cholesterol en bloedsuiker.

De lever krijgt minder aandacht.

Dat is opvallend.

De lever speelt namelijk een centrale rol bij de verwerking van vetten en suikers.

Een veelvoorkomend probleem is leververvetting.

De huidige medische term voor leververvetting die samengaat met metabole risicofactoren is metabole disfunctie-geassocieerde steatotische leverziekte, afgekort tot MASLD.

Voor een gewone lezer is metabole leververvetting waarschijnlijk een stuk begrijpelijker.

De aandoening hangt onder andere samen met cardiometabole risicofactoren en heeft verschillende stadia, van vetophoping tot ontsteking, fibrose en uiteindelijk bij een deel van de patiënten ernstige leverziekte. De Europese leverrichtlijn uit 2024 behandelt daarom niet alleen diagnose, maar ook risicoselectie en niet-invasieve beoordeling.

Kun je leververvetting in het bloed zien?

Niet rechtstreeks.

Bij bloedonderzoek worden regelmatig leverenzymen bepaald.

Alanine-aminotransferase, meestal ALAT genoemd, komt vooral in levercellen voor.

Aspartaat-aminotransferase, of ASAT, kan eveneens veranderen bij leverschade maar komt ook in andere weefsels voor.

En gamma-glutamyltransferase, meestal gamma-GT, kan veranderen bij verschillende lever- en galwegproblemen.

Deze waarden kunnen nuttige aanwijzingen geven.

Maar ze vormen geen eenvoudige test waarmee alle relevante leververvetting kan worden uitgesloten.

Daarom kunnen artsen bij mensen met voldoende risico ook gebruikmaken van combinaties van bloedwaarden, risicoscores en zo nodig technieken waarmee bijvoorbeeld leverstijfheid wordt beoordeeld. Europese leverrichtlijnen leggen juist nadruk op zo’n stapsgewijze, niet-invasieve risicobeoordeling.

Opnieuw hetzelfde principe:

niet één leverwaarde, maar het geheel.


Bloeddruk: één meting in de spreekkamer kan misleiden

Je hebt haast gehad.

Je bent misschien wat gespannen.

De bloeddrukband gaat om je arm.

145 over 88.

Heb je hoge bloeddruk?

Misschien.

Maar bloeddruk varieert.

Daarom wordt bij verdenking op hoge bloeddruk vaak niet alleen naar één meting in de spreekkamer gekeken.

NICE adviseert bij een spreekkamerbloeddruk tussen 140/90 en 180/120 mmHg een 24-uurs bloeddrukmeting om de diagnose te bevestigen. Wanneer dat niet mogelijk is, kan thuis meten worden gebruikt.

Dat is opnieuw hetzelfde idee:

een patroon kan meer zeggen dan één momentopname.


Nierfunctie: kijk naar filtering én eiwitverlies

Nierfunctie wordt vaak samengevat met één waarde:

de geschatte glomerulaire filtratiesnelheid, meestal afgekort tot eGFR.

Dit getal geeft een schatting van hoe goed de nieren het bloed filteren.

Heel nuttig.

Maar niet het hele verhaal.

De nieren kunnen namelijk ook albumine in de urine gaan verliezen.

Daarom wordt ook gekeken naar de verhouding tussen albumine en creatinine in de urine.

Dat heet de albumine-creatinineratio, afgekort tot ACR.

De internationale nierorganisatie Kidney Disease: Improving Global Outcomes, afgekort tot KDIGO, gebruikt in de actuele richtlijn zowel de filtratiefunctie als albumineverlies bij de beoordeling van chronische nierschade en risico.

eGFR en ACR vertellen dus verschillende dingen.

Samen geven ze meer informatie dan ieder afzonderlijk.


Fitheid: misschien één van de meest onderschatte gezondheidsmetingen

We meten gewicht.

Bloeddruk.

Cholesterol.

Bloedsuiker.

Maar een opvallende gezondheidsfactor wordt in de spreekkamer veel minder vaak objectief gemeten.

Hoe fit ben je eigenlijk?

Dat is iets anders dan vragen:

“Sport je?”

Twee mensen kunnen allebei regelmatig bewegen terwijl hun conditie sterk verschilt.

Cardiorespiratoire fitheid beschrijft hoe goed hart, longen, bloedvaten en spieren tijdens inspanning samenwerken.

In sportonderzoek wordt daarvoor vaak gekeken naar de maximale zuurstofopname, beter bekend als VO₂max.

Maar voor de meeste mensen hoeft dat helemaal niet professioneel te worden gemeten.

Veel belangrijker is de achterliggende vraag:

Wat kan je lichaam?

Kun je een trap oplopen?

Uit een stoel opstaan?

Boodschappen dragen?

Een eind wandelen of fietsen?

En wanneer lopen niet mogelijk is:

kun je jezelf zelfstandig verplaatsen?

Kun je je armen gebruiken?

Kun je vanuit een stoel oefenen?

Kun je dagelijkse handelingen zelfstandig blijven uitvoeren?

Fitheid en functioneren zeggen veel over gezondheid.

Maar ook hier is context noodzakelijk.

Een slechte conditie kan samenhangen met weinig beweging.

Maar ook met een hart- of longziekte, ernstige gewrichtsproblemen, neurologische ziekte, chronische pijn of andere beperkingen.

Een slechte conditietest betekent daarom niet automatisch een ongezonde leefstijl.


Drie mensen met precies dezelfde BMI

Stel je drie mannen voor.

Alle drie zijn ze 60 jaar.

Alle drie 1,80 meter lang.

Alle drie 90 kilo.

Hun BMI is dus hetzelfde:

27,8.

De eerste man heeft weinig buikvet, relatief veel spiermassa, fietst dagelijks en heeft gunstige bloedwaarden.

De tweede heeft veel buikvet, beweegt nauwelijks, heeft hoge triglyceriden en zijn bloedsuiker begint te stijgen.

En de derde?

Hij heeft ernstige artrose en zenuwpijn.

Lopen lukt nauwelijks.

Hij zou dolgraag iedere dag vijf kilometer wandelen.

Zijn lichaam laat dat simpelweg niet toe.

Maar hij rookt niet.

Let op zijn voeding.

Zijn bloeddruk is goed behandeld.

Zijn cholesterol is onder controle.

En met aangepaste oefeningen probeert hij de spierkracht die hij nog heeft te behouden.

Volgens de BMI-tabel zijn het drie vergelijkbare mannen.

In werkelijkheid verschillen hun gezondheid, risico’s én mogelijkheden sterk.

Moeten we tegen de derde man zeggen dat hij ongezond leeft omdat zijn middelomtrek te groot is?

Natuurlijk niet.

Zijn gezondheidsdoelen zijn anders.

Niet minder belangrijk.

Anders.


Welke gezondheidsmetingen zijn dan echt nodig?

Na al deze mogelijkheden ontstaat vanzelf de vraag:

moet ik dit allemaal laten bepalen?

Nee.

Voor veel mensen begint een gezondheidsbeoordeling nog altijd met relatief eenvoudige gegevens:

gewicht en lichaamsbouw;

middelomtrek wanneer die relevant is;

bloeddruk;

het standaard cholesterolprofiel;

bloedsuiker en soms HbA1c;

nierfunctie;

roken;

beweging;

familiegeschiedenis;

medicijngebruik;

en klachten.

Dat is de basis.

Daarna kunnen aanvullende metingen zinvol zijn wanneer zij daadwerkelijk iets toevoegen.

Bijvoorbeeld Lp(a) om een erfelijke cardiovasculaire risicofactor zichtbaar te maken.

ApoB wanneer het aantal atherogene lipoproteïnedeeltjes aanvullende informatie kan geven.

Albumine in de urine bij beoordeling van niergezondheid.

Verder leveronderzoek wanneer daar aanleiding voor bestaat.

Of hs-CRP wanneer het cardiovasculaire risico in een bepaalde situatie verder moet worden verfijnd.

Het verschil is belangrijk:

gericht aanvullend meten is iets anders dan standaard iedereen op alles testen.


Wordt een bloedwaarde belangrijker zodra er een medicijn voor bestaat?

Dat is een ongemakkelijke vraag.

Maar wel een terechte.

Gezondheidszorg bestaat niet alleen uit wetenschap.

Er gaat ook veel geld in om.

Wanneer een risicofactor wordt ontdekt en bedrijven vervolgens een geneesmiddel ontwikkelen dat die waarde kan veranderen, neemt de belangstelling vaak toe.

Er verschijnen onderzoeken.

Congressen besteden aandacht aan het onderwerp.

Laboratoria gaan de waarde vaker meten.

En uiteindelijk kan een marker een prominentere plaats krijgen in richtlijnen.

Dat kan de indruk wekken:

“Deze waarde is vooral belangrijk geworden omdat er geld mee verdiend kan worden.”

Commerciële belangen kunnen inderdaad invloed hebben op welke onderwerpen veel onderzoek, marketing en aandacht krijgen.

Maar daarmee is nog niet aangetoond dat de betreffende biomarker medisch onbelangrijk is.

De betere vraag is:

worden mensen daadwerkelijk gezonder wanneer we deze waarde veranderen?


Een mooiere laboratoriumuitslag is nog geen gezonder mens

Stel dat een nieuw geneesmiddel een bloedwaarde met 80 procent verlaagt.

Dat klinkt indrukwekkend.

Maar wat willen we uiteindelijk bereiken?

Niet alleen een mooier getal.

We willen weten of mensen daardoor bijvoorbeeld:

minder hartinfarcten krijgen;

minder beroertes krijgen;

minder ernstige complicaties ontwikkelen;

langer leven;

of een betere kwaliteit van leven hebben.

Een meetbare waarde die als vervanging dient voor zo’n uiteindelijke gezondheidsuitkomst wordt vaak een surrogaatmarker genoemd.

Surrogaatmarkers kunnen buitengewoon nuttig zijn.

Maar een verandering van zo’n marker staat niet altijd automatisch gelijk aan dezelfde verandering van het werkelijke ziekterisico.


Lipoproteïne(a) is daar een interessant voorbeeld van

Een hoge Lp(a)-waarde is overtuigend gekoppeld aan een hoger risico op hart- en vaatziekten.

De Europese richtlijnen beschouwen Lp(a) daarom als een relevante risicomodificator.

Tegelijkertijd worden geneesmiddelen ontwikkeld die Lp(a) zeer sterk kunnen verlagen.

Dat is veelbelovend.

Maar volgens de Europese richtlijn was ten tijde van de laatste beoordeling nog niet aangetoond dat het specifiek verlagen van Lp(a) ook daadwerkelijk leidt tot minder atherosclerotische hart- en vaatziekten.

Daarom kunnen twee dingen tegelijkertijd waar zijn:

een hoge Lp(a)-waarde is medisch relevant;

en:

de gezondheidswinst van nieuwe specifieke Lp(a)-verlagende behandelingen moet afzonderlijk worden bewezen.

Dat is geen tegenstrijdigheid.

Dat is hoe wetenschap hoort te werken.


Bij LDL-cholesterol is dat bewijs veel verder ontwikkeld

Bij LDL-cholesterol hebben we niet alleen een verband tussen een hogere waarde en hart- en vaatziekten.

Er bestaat ook uitgebreid bewijs dat effectieve LDL-verlaging bij mensen met voldoende risico cardiovasculaire gebeurtenissen kan verminderen.

Daarom houdt de actuele Europese richtlijn LDL-cholesterol nadrukkelijk als centraal behandeldoel en beveelt zij bij geneesmiddelen aan te kiezen voor therapieën waarvan cardiovasculair voordeel daadwerkelijk is aangetoond.

Dat is een wezenlijk verschil.


Wie betaalt medisch onderzoek?

Ook daar mogen we kritisch naar kijken.

Grote geneesmiddelenonderzoeken zijn duur.

Soms worden duizenden patiënten jarenlang gevolgd.

De farmaceutische industrie financiert daarom veel klinisch geneesmiddelenonderzoek.

Zonder die financiering zouden veel grote studies waarschijnlijk niet worden uitgevoerd.

Dat heeft belangrijke medische vooruitgang mogelijk gemaakt.

Maar degene die onderzoek financiert kan tegelijkertijd een commercieel belang hebben bij een gunstige uitkomst.

Daarom zijn zaken als vooraf geregistreerde onderzoeksopzetten, vastgelegde eindpunten, onafhankelijke toetsing, volledige rapportage en transparantie over belangen belangrijk.

Een door een fabrikant betaald onderzoek is niet automatisch slecht onderzoek.

Maar de financieringsbron is wél informatie die hoort bij een kritische beoordeling.


Commerciële belangen bestaan niet alleen bij medicijnen

Dat wordt soms vergeten.

Er wordt ook geld verdiend aan:

bloedonderzoek;

preventieve check-ups;

DNA-tests;

lichaamsscans;

continue glucosemeters;

gezondheidsapps;

supplementen;

en allerlei vormen van persoonlijke gezondheidsmonitoring.

Ook daar kan de commerciële prikkel bestaan om gezonde mensen ervan te overtuigen dat ze steeds meer waarden moeten kennen.

Terwijl niet altijd duidelijk is wat met een afwijkende uitslag moet worden gedaan.

Daarom blijft één vraag buitengewoon nuttig:

“Wat verandert deze informatie voor mijn gezondheid of behandeling?”

Wanneer niemand daar een goed antwoord op heeft, is een interessante meting nog niet automatisch een zinvolle meting.


Scepsis is gezond, cynisme niet

Er bestaat ook een tegenovergestelde valkuil.

We kunnen zo wantrouwend worden tegenover commerciële belangen dat iedere nieuwe behandeling of biomarker bij voorbaat verdacht wordt.

Ook dat is niet verstandig.

Statines worden commercieel geproduceerd.

Bloeddrukmedicatie ook.

Insuline eveneens.

Dat maakt hun werking niet fictief.

Een verstandiger houding ligt tussen blind vertrouwen en automatisch wantrouwen.

Vraag:

Hoe sterk is het bewijs?

Gaat het alleen om een laboratoriumwaarde of ook om minder ziekte?

Voor welke mensen is voordeel aangetoond?

Hoe groot is dat voordeel?

Welke nadelen zijn er?

Wie betaalde het onderzoek?

En verandert de uitslag daadwerkelijk iets aan de behandeling?

Dat zijn uiteindelijk interessantere vragen dan alleen:

“Kan iemand hier geld aan verdienen?”


Pas op voor de meetindustrie

Er schuilt nog een ander gevaar in de groeiende belangstelling voor preventieve gezondheid.

Als één test nuttig is, lijken tien testen nog beter.

ApoB.

Lipoproteïne(a).

Hs-CRP.

Insuline.

Cortisol.

Homocysteïne.

Uitgebreide vitamine- en hormoonprofielen.

Continue glucose.

Lichaamsscans.

DNA-profielen.

Voor je het weet verandert een gezond persoon in een wandelend laboratoriumproject.

Meer meten levert bijna onvermijdelijk meer afwijkende getallen op.

Dat kan onrust veroorzaken.

En soms volgt er nieuw onderzoek naar een toevallige afwijking die uiteindelijk helemaal geen ziekte blijkt te betekenen.

Daarom zou vóór een aanvullende test eigenlijk steeds dezelfde vraag moeten komen:

“Wat gaan we anders doen wanneer deze uitslag hoog of laag blijkt?”

Is daar geen goed antwoord op?

Dan kan niet meten soms verstandiger zijn.


Modern betekent niet automatisch beter

Een nieuwe biomarker kan iets nauwkeuriger meten.

Maar daarmee is hij niet automatisch nuttiger voor iedere patiënt.

Een arts wil uiteindelijk weten:

verandert deze uitslag mijn inschatting?

Verandert de behandeling?

Is verdere controle nodig?

Of verandert er eigenlijk niets?

Wanneer de behandeling onafhankelijk van de uitslag hetzelfde blijft, kan een aanvullende test wetenschappelijk interessant zijn maar praktisch weinig toevoegen.

Daarom betekent moderne preventieve geneeskunde niet:

steeds meer testen.

Het betekent:

gerichter testen.


Van losse grenswaarden naar een persoonlijk gezondheidsprofiel

Misschien is dat uiteindelijk de grootste verandering.

Gezondheidszorg kan soms op een schoolrapport lijken.

BMI:

goed of fout.

Cholesterol:

goed of fout.

Bloedsuiker:

goed of fout.

Bloeddruk:

goed of fout.

Maar het menselijk lichaam werkt niet met rapportcijfers.

Risico loopt meestal geleidelijk op.

En gezondheid is meer dan de afwezigheid van risico.

Iemand kan chronisch ziek zijn en toch relatief goed functioneren.

Iemand kan een keurige BMI hebben maar veel buikvet en een ongunstige stofwisseling.

Iemand kan nauwelijks lopen en tegelijkertijd alles doen wat binnen zijn mogelijkheden ligt om zijn gezondheid te beschermen.

En iemand kan veel sporten en genetisch toch een sterk verhoogd lipoproteïne(a) hebben.

Dat is waarom moderne gezondheidszorg steeds vaker moet kijken naar:

het patroon én de persoon.


Wat is dan de ideale gezondheidsmeting?

Die bestaat waarschijnlijk niet.

En eigenlijk is dat goed nieuws.

Je gezondheid wordt niet bepaald door één getal.

Niet door je BMI.

Niet door je buikomvang.

Niet door je cholesterol.

Niet door je bloedsuiker.

En ook niet door een nieuwe biomarker waarover je op internet hebt gelezen.

Het gaat om het geheel.

En om iets wat in geen enkele laboratoriumuitslag staat:

wat voor jou haalbaar is.

Voor de één betekent gezondheidswinst tien kilo afvallen en gemakkelijker vijf kilometer kunnen lopen.

Voor een ander betekent het een betere bloedsuiker.

Voor iemand anders stoppen met roken.

En voor iemand met ernstige bewegingsbeperkingen kan gezondheidswinst betekenen dat spierkracht behouden blijft, de bloeddruk goed is ingesteld en zelfstandig functioneren zo lang mogelijk lukt.

Dat zijn geen tweederangs gezondheidsdoelen.

Het zijn doelen die passen bij de persoon.


Conclusie

We zijn gewend geraakt aan eenvoudige gezondheidsgetallen.

BMI.

Gewicht.

Cholesterol.

Bloedsuiker.

Bloeddruk.

Ze zijn overzichtelijk.

En ze blijven nuttig.

Maar geen enkel getal kan een compleet mens samenvatten.

BMI vertelt niet hoeveel spiermassa iemand heeft.

Een middelomtrek vertelt niet waarom iemand nauwelijks kan bewegen.

LDL-cholesterol laat niet afzonderlijk zien of lipoproteïne(a) sterk verhoogd is.

Een losse glucosemeting vertelt niet hetzelfde als HbA1c.

Normale leverwaarden sluiten niet ieder leverprobleem uit.

Een bloeddrukmeting tijdens één doktersbezoek vertelt niet altijd wat er thuis gebeurt.

En geen enkele bloedtest vertelt hoeveel pijn iemand heeft wanneer hij probeert honderd meter te lopen.

Ook nieuwe biomarkers verdienen geen automatisch vertrouwen alleen omdat ze nieuwer zijn.

En een waarde wordt niet automatisch belangrijk omdat er een medicijn voor wordt ontwikkeld.

De uiteindelijke vraag blijft:

worden mensen er werkelijk gezonder van?

Misschien moeten we daarom minder vaak vragen:

“Is mijn waarde goed?”

En vaker:

“Wat vertelt deze waarde over mij, wat vertelt zij níét en wat kan ik met die informatie?”

Dat is een wezenlijk verschil.

Moderne gezondheidszorg betekent daarom niet alleen:

slimmer meten.

Maar ook:

kritischer interpreteren en persoonlijker beoordelen.

Want gezondheid gaat uiteindelijk niet om het verzamelen van zoveel mogelijk ideale getallen.

Het gaat om zo gezond mogelijk leven met het lichaam dat je hebt.


Veelgestelde vragen

Is BMI achterhaald?

Nee. BMI blijft een praktische maat voor gewicht in verhouding tot lengte. Bij individuele personen kunnen onder andere spiermassa, vetverdeling, leeftijd, conditie en lichamelijke beperkingen belangrijke aanvullende informatie geven.

Is buikomvang belangrijker dan BMI?

Niet per definitie. Middelomtrek en de verhouding tussen middel en lengte geven vooral aanvullende informatie over vetopslag rond de buik. Ze kunnen daarom samen met BMI worden gebruikt.

Wat als afvallen door lichamelijke beperkingen erg moeilijk is?

Dan hoeft gewichtsverlies niet het belangrijkste gezondheidsdoel te zijn. Goede voeding, behoud van spiermassa, een goede bloeddruk, gunstige bloedsuiker en cholesterolwaarden, niet roken en zo lang mogelijk functioneren kunnen eveneens belangrijke gezondheidswinst betekenen.

Moet iemand die nauwelijks kan bewegen gewoon minder eten?

Niet zonder meer. Te weinig eten kan ten koste gaan van eiwitten, essentiële voedingsstoffen en spiermassa. Vooral bij oudere of chronisch zieke mensen moet daarom niet alleen naar calorieën worden gekeken.

Wat is apolipoproteïne B?

Apolipoproteïne B, of ApoB, is een eiwit op lipoproteïnedeeltjes die kunnen bijdragen aan slagaderverkalking. De hoeveelheid ApoB geeft informatie over het aantal van deze deeltjes.

Wat is lipoproteïne(a)?

Lipoproteïne(a), of Lp(a), is een grotendeels erfelijk bepaald lipoproteïne. Een sterk verhoogde waarde kan het risico op hart- en vaatziekten vergroten, ook wanneer het gewone LDL-cholesterol gunstig is.

Moet iedereen ApoB en Lp(a) laten meten?

Nee. Een eenmalige Lp(a)-meting wordt tegenwoordig door Europese cardiologierichtlijnen bij volwassenen aanbevolen om te overwegen. ApoB kan in specifieke situaties aanvullende informatie geven, maar hoeft niet standaard bij iedereen te worden bepaald.

Is een biomarker automatisch belangrijk als er een medicijn voor bestaat?

Nee. Het verlagen van een laboratoriumwaarde is niet automatisch hetzelfde als gezondheidswinst. Uiteindelijk is belangrijk of een behandeling ook relevante uitkomsten verbetert, zoals het aantal hartinfarcten, beroertes, complicaties of sterfte.

Zijn onderzoeken die door farmaceutische bedrijven worden betaald onbetrouwbaar?

Niet automatisch. Veel grote geneesmiddelenonderzoeken zijn zonder commerciële financiering moeilijk uitvoerbaar. Wel moeten financiële belangen transparant zijn en telt uiteindelijk vooral hoe goed het onderzoek is opgezet en uitgevoerd.

Wat is het verschil tussen CRP en hs-CRP?

C-reactief proteïne, of CRP, is een maat voor ontstekingsactiviteit. De hoog-sensitieve variant hs-CRP kan veel lagere concentraties meten. Hs-CRP is echter geen algemene test waarmee je simpelweg kunt vaststellen dat iemand chronisch ‘ontstoken’ is.

Is HbA1c beter dan nuchtere glucose?

Niet per definitie. Ze meten verschillende aspecten van de glucosestofwisseling. Nuchtere glucose is een momentmeting. HbA1c geeft een indruk van de gemiddelde glucoseblootstelling over een langere periode.

Kun je leververvetting uitsluiten met normale leverwaarden?

Nee. Leverenzymen kunnen nuttige aanwijzingen geven, maar normale leverwaarden sluiten relevante metabole leververvetting niet zonder meer uit.

Waarom thuis bloeddruk meten?

Bloeddruk varieert. Meerdere thuismetingen of een 24-uursmeting kunnen daarom bij verdenking op hoge bloeddruk een representatiever beeld geven dan één meting in de spreekkamer.

Is alleen eGFR voldoende om de nieren te beoordelen?

Niet altijd. De geschatte glomerulaire filtratiesnelheid vertelt iets over filtering door de nieren. Albumineverlies in de urine geeft andere informatie. Bij beoordeling van chronische nierziekte worden beide gebruikt.

Moet ik zoveel mogelijk gezondheidswaarden laten bepalen?

Nee. Meer meten is niet automatisch beter. Een test is vooral nuttig wanneer de uitslag helpt een risico beter in te schatten of gevolgen kan hebben voor behandeling, controle of leefstijl.


Bronnen en verder lezen

Dit artikel is onder andere gebaseerd op de volgende richtlijnen en professionele bronnen:

National Institute for Health and Care Excellence (NICE) – Overweight and obesity management, NG246, 2025/2026. Over BMI, middelomtrek en de verhouding tussen middel en lichaamslengte.

World Health Organization (WHO) – Guidelines on physical activity and sedentary behaviour. Met afzonderlijke aandacht voor ouderen, mensen met chronische aandoeningen en mensen met een beperking.

European Society of Cardiology en European Atherosclerosis Society – 2025 Focused Update of the Guidelines for the management of dyslipidaemias. Over LDL-cholesterol, Lp(a), hoog-sensitief CRP en cardiovasculaire risicobeoordeling.

American Diabetes Association – Standards of Care in Diabetes 2026: Diagnosis and Classification of Diabetes. Over nuchtere glucose, HbA1c, de orale glucosetolerantietest en continue glucosemeting.

Kidney Disease: Improving Global Outcomes (KDIGO) – 2024 Clinical Practice Guideline for the Evaluation and Management of Chronic Kidney Disease. Over nierfiltratie, eGFR, albuminurie en individuele risicobeoordeling.

European Association for the Study of the Liver, European Association for the Study of Diabetes en European Association for the Study of Obesity – Clinical Practice Guidelines on metabolic dysfunction-associated steatotic liver disease, 2024. Over metabole leververvetting, risicobeoordeling en niet-invasieve diagnostiek.

National Institute for Health and Care Excellence (NICE) – Hypertension in adults: diagnosis and management. Over spreekkamerbloeddruk, 24-uursmeting en thuisbloeddrukmetingen.


Redactie 24Gezondheid

Dit artikel is zorgvuldig samengesteld door de redactie van 24Gezondheid op basis van betrouwbare medische bronnen en actuele wetenschappelijke inzichten. De informatie is bedoeld als algemene gezondheidsvoorlichting en vervangt geen persoonlijk medisch advies.

Laatst bijgewerkt: 13 augustus 2026

© 2015 - 2026 24gezondheid.nl | sitemap | rss | bestelling herroepen